Witte Vrouwen

Een sprookje van Ronald Giphart

 

Er was eens klein, maar levendig Prinsdom genaamd Witte Vrouwen. Waarom het landje Witte Vrouwen heette wist niemand. De inwoners waren onvoorstelbaar leuke mensen, hip, vrolijk, ontwapenend, eerlijk, integer, recht door zee en aimabel. Ze volgden de Parijse en Milanese modehuizen nauwgezet, ze luis­terden naar hippe hip-hop en ze hadden elkaar ongeloofwaardig lief.

      De Prins van het Prinsdom was daarentegen helemaal niet hip, sterker nog, hij was van de klas­sieke stempel. Dat had met oude Koninklijke normen en waarden te maken, daar kon hij niets aan doen, zo was hij opgevoed. Als hij ‘s och­tends naar de plaatselijke kruidenier Keesch van den Goei-Koot ging, liet hij zich - ge­kleed in een maillot en pof­broek - brengen in een gouden koets, ge­trokken door een span Arabische paarden. Hij ver­stuurde zijn met bordeauxrode lak verzegelde post per koerier. Telefone­ren deed hij niet. En ‘s avonds lag hij niet onder een fris hemel­dek­bed, maar sliep hij gewoon met zijn handen boven een wit laken en twee geblokte dekens.

      De Prins van Witte Vrouwen vond het bijzonder vervelend dat zijn vin­gers niet rustten op de hartenklop van de tijd. Goed, hij werd door zijn onder­danen met verschuldigd respect behandeld, maar toch merkte hij dat zij achter zijn nogal fors uitgevallen rug de draak met hem staken. Als ‘s avonds het Trendy Park van het Wijkdom weer volstroomde met uitgelaten jeugd en leuke mensen, keek de Prins uit het raam naar de stoet ultrakorte rokjes en felge­kleurde top­jes die aan het paleis en zijn neus voorbij­ging. Dan slikte hij en berustte hij terneergeslagen in zijn lot: dat hij vroeg moest gaan slapen om zich voor te bereiden op een drukke werkdag.

      Er mag trouwens niet licht worden gedacht over zo’n werk­dag van de Prins. Al bij het eerste ochtendgloren diende hij op te staan, om met een lakei een weloverwo­gen keuze te maken uit de royale collectie puntschoe­nen en flam­bards.

Na een licht ontbijt werd de Prins geacht zich aan zijn verplichtingen te zetten. In het Prinselijk Protocol (de P.P.) was zijn taakom­schrijving duidelijk vastgelegd. Zijn belang­rijkste taak van een gewone werkdag: het wakkerkussen van alle Witte-Vrouwse meisjes. Hij had eens aan een van de bevriende gekroonde van het nabijgelegen landje Zeehelden ge­vraagd waarom juist deze taak tot de prinselijk agenda be­hoorde, maar zijn collega had hem laconiek geantwoord: ‘Wat moet dat moet.’ Aan dit advies had de Prins derhalve weinig, te meer omdat het hem voorkwam dat de bevriende ge­kroon­de oren nogal eens lichtzin­nig om­sprongen met wat Prinsen hoorden te doen.

      Het wakkerkussen van zijn onderdames bleek een taak die de Prins niet - zoals zijn andere Prinse­lijke ver­plich­tingen - met de van hem verwachte overgave kon ver­vul­len. Wat hem tegen­stond was het volgende: de meisjes hadden de avond voor het wakkerkussen gedronken van de wijn van Wijnboetiek het Gouden Glas of slijterij De Gulle Bottelier, gegeten bij Restaurant Griftpark, gedronken bij Oost in de Bollenhofsestraat en nog even doorgezakt bij Binnenbest, Het Licht of Soms. Hierdoor lagen zij onveranderlijk een diepe roes uit te sla­pen. Het was op zijn vriendelijkst gezegd een even confronteren­de als onaangename ervaring deze meisjes te moeten wakkerkussen.

      De meesten hadden overigens de neiging hun royale wekker uit te slaan. Anderen werden wel meteen wakker, maar verlang­den dan vaak dat de Prins even een kopje thee zette of een paar sinaasappels uitperste. Aangezien het Prin­selijk Protocol (de P.P.) voorschreef dat de Prins bij zijn Volk niet arrogant mocht overkomen, voerde hij de op­drachten van de meisjes onverdroten uit. Zou dan geen van die meisjes mij zien als een mens, en niet als wandelende wekdienst, vroeg de Prins zich geregeld onbe­noem­baar verdrietig af.

      Hoe onterecht, want de Prins wist niet van één Wit Meisje, genaamd Roosje, dat kort daarvoor met haar hippe vriendin­nen over de Prins had gesproken.

      ‘Is het niet vreemd dat hij ons altijd wekt en brood roostert en eitjes kookt en kiwi’s schilt, maar dat hij nooit een aardig woord krijgt?’ had ze gevraagd. ‘Heeft iemand van ons hem ooit bedankt voor al die moeite?’

      Er was een lachsalvo gevolgd op deze vragen, waarna Roosje had gedaan alsof ze maar een grapje had gemaakt. Toen de andere meisjes gillend van lach de kleren van de Prins bespraken, had zij moeten toegeven dat die pofbroek en die aan­doenlijke maillot inderdaad mallotig waren.

      Toch liet de Prins haar niet los. En waarom wist ze ook niet, maar op een dag leende Roosje de wekkerradio van haar ouders om de volgende morgen de Prins voor te kunnen zijn. Hoewel ze moeite had om op te staan zonder kus, wist ze zich uit haar twijfelaartje te wringen.

      Voor de Prins werd het een van de vreemdste ochtenden van zijn leven. Hij deed de deur van Roosjes kamer open en zag een leeg bed. Even bleef hij in de deuropening staan staren, maar toen bereikte de geur van verse koffie zijn neus. Wat was hier aan de hand? De Prins overzag de kamer en ontwaarde in een hoek een breed glimlachende Roosje. Ze liep naar hem toe en kuste hem op zijn mond.

      ‘Goedemorgen, Prins,’ zei ze zacht, waarna ze hem wees op een tafel met scrambled eggs, perzikthee, crackers, filet americain en de ochtendkrant.

      ‘Ik dacht: laten we de boel eens even omdraaien,’ zei Roosje, terwijl ze de Prins met zachte drang op een stoel wist te krijgen. ‘Ik wilde U gewoon eens een keer bedanken voor al de keren dat U mij heeft gewekt.’

      Compleet flabber gegast en gebaffeld zette de Prins zich aan het maal. Hij tikte een eitje en een warm gevoel stroomde door zijn a’dren.

      ‘Mag ik U eens iets vragen,’ zei Roosje opgewekt, terwijl de Prins een derde stukje ontbijtkoek besmeerde met boter. ‘Niet om U te plagen, maar waarom heeft U toch altijd die ouder­wetse kleren aan? Waarom praat U zo bekakt en waarom zien wij U nooit in Binnenbest?’

      De Prins haalde vertwijfeld zijn schouders op.

      ‘Dat komt door het Prinselijk Protocol (de P.P.), die voor­schrijft hoe ik me moet gedragen. En daarin staat niets over Binnenbest, zodat ik me daar ook niet kan verto­nen, lijkt me.’

      ‘Wat een onzin, Prins. U bent toch de baas? Dan verandert U dat Protocol toch gewoon. Weet U wat? Ik neem u vanmiddag mee naar de boetiek in de stad, en dan doen we eerst eens wat aan die panty en dan zoeken we daarna iets anders voor Uw oefen­broek.’

      ‘Maar dat kan toch niet!’ wierp de Prins wanhopig tegen. ‘Ik moet mijn ronde afmaken. Er moeten nog vierennegentig meis­jes worden wakker ge­kust.’

      ‘Ach wat!’ riep Roosje. ‘Dan slapen ze maar gewoon eens lekker uit. Daar zitten zij heus niet mee.’

      Die middag nam Roosje de Prins mee op sleeptouw, naar de boetiek, de kapper, de hippe schoenenwinkel en andere geinige funshoploca­ties.

      Die avond heeft de Prins zich niet met het tekenen van wetten en staats­paperassen beziggehouden. Geïntroduceerd door Roosje heeft hij een ronde gemaakt langs alle restaurants en cafés, en hij voelde zich nooit zo goed als toen. Vele meisjes keken naar hem, sterker nog, er werd heftig met hem geflirt. Hij was gelukkig, en hier eindigt dan ook het sprookje van de Prins die werd wakker ­ge­kust door een Roosje.

 

© 2009 Stichting Wijkfeest Wittevrouwen